Kwaliteitsvolle ouderenzorg is een gedeelde verantwoordelijkheid

“Rennen, wassen, springen, voeden, plassen en weer doorgaan”; “Personeel kraakt onder werkdruk”; “Klokplassen: trainen om allemaal op hetzelfde moment naar het toilet te gaan”: het zijn maar enkele van de veelzeggende krantenkoppen waarmee Het Nieuwsblad deze week uitpakt. De beeldvorming wordt nog maar eens bevestigd: het doorsnee woonzorgcentrum wordt geframed als een onbetaalbare zorgfabriek waar zich “onrustwekkende toestanden” voordoen: een hellhole waar privacy, autonomie en integriteit van zorgbehoevende ouderen dagelijks zwaar geschonden worden. 

Bij dit al jaren negatief nieuws over de residentiële ouderenzorg kan elk weldenkend mens zich de vraag stellen: waarom zijn er dan in Vlaanderen nog altijd zoveel woonzorgcentra (meer dan 800)? En neen media, we spreken niet over rusthuizen. Die term werd al in 2009 verlaten. Waarom verblijven er in die woonzorgcentra meer dan 80.000 ouderen? En neen media, we spreken niet over bejaarden. Wilt u zo genoemd worden? Waarom sluiten we de woonzorgcentra niet collectief als het er zo slecht verblijven is? Waarom is er dan geen grotere publieke verontwaardiging of politieke moed om aan de “schrijnende en huiveringwekkende toestanden” een passend maatschappelijk antwoord te geven? 

Wat hebben we écht nodig om betaalbare en kwaliteitsvolle woonzorgcentra in onze samenleving te realiseren? En dus zorg dragen voor een van de meest kwetsbare groepen uit onze samenleving? We moeten inzetten op vier kernzaken.

Vooreerst hebben we nood aan zorgzame en betrokken medewerkers. Goed nieuws! Die hebben we. De werkbaarheidsmonitor van de SERV toont aan dat 85% van het personeel van de woonzorgcentra sterk betrokken is bij hun werk. Dat is 5% meer dan het gemiddelde op de arbeidsmarkt. Die cijfers werden vorige week nog bevestigd door een onderzoek van bedrijfsgeneeskundige dient IDEWE. Die betrokken medewerkers zijn een troef voor de Vlaamse woonzorgcentra. Alleen, ze zijn met veel te weinig om de nodige ondersteuning te kunnen geven aan de vaak complexe zorgvragen van de mensen die anno 2020 in een woonzorgcentrum verblijven. Wie nu naar een woonzorgcentrum gaat, heeft gemiddeld veel zwaardere zorg nodig dan enkele decennia geleden. Mensen maken meestal pas de overstap wanneer ze het met thuiszorg echt niet meer redden. Gemotiveerde medewerkers zijn overbevraagd. Hun werkbaarheidsbarometer staat op donkerrood. De huidige personeelsnormen zijn meer dan 20 jaar oud. Het aanpassen en flexibeler maken van die personeelsnormen is een eerste werf. Hiervoor is het ook nodig dat een taakherschikking binnen de zorgberoepen wettelijk wordt verankerd.

Koken kost geld. Wat velen niet weten is dat de financiering door de overheid niet gelijk is voor alle personen met dezelfde zorgnood. Woonzorgcentra ontvangen niet voor al hun bewoners met een zware zorgnood een aangepaste – lees RVT- financiering. En het verschil tussen 50 euro (ROB) en 70 euro (RVT) is echt wel groot. De tweede kernzaak is dus van financiële aard: gelijke zorgnood vraagt om een gelijke zorgfinanciering via de Vlaamse sociale bescherming. De Vlaamse overheid is hiervoor bevoegd en dus verantwoordelijk.

Ten derde gaat het over de betaalbaarheid van de woonzorgcentra. De dagprijs is in Vlaanderen gereguleerd, en bedraagt nu gemiddeld bijna 60 euro per dag. In die dagprijs zit een flink stuk van de zorgkost, bovenop de kost voor wonen en leven. Politieke partijen claimen een ‘maximumfactuur’ of het ‘optrekken van de pensioenen’ om de betaalbaarheid te vrijwaren. Op zich lovenswaardig. Maar, we beschikken binnen de Vlaamse sociale bescherming best wel over een geschikt instrumentarium om hierop snel een passend antwoord te bieden zonder bijkomende administratieve rompslomp. Zowel via de correcte financiering van de zorgkost in de woonzorgcentra als via het optrekken van de beschikbare zorgbudgetten kan men tegelijkertijd - zowel voor alle bewoners, als voor zij die een laag inkomen hebben - de financiële toegankelijkheid van de woonzorgcentra ingrijpend en tastbaar verhogen.

Last but not least: kwaliteit van leven, zorg en wonen. De overheid beschikt over een de aangepaste instrumenten om de kwaliteit van de woonzorgcentra te meten, op te volgen en bij te sturen indien nodig. Zo zijn er de erkenningsnormen die aangeven wat men minimaal verwacht van de zorg, het leven en het wonen in een woonzorgcentrum. Die normen werden in het woonzorgdecreet van 2019 geactualiseerd in samenspraak met alle betrokken actoren. Daarnaast is er Zorginspectie. Het decreet van 2018 bepaalt de opdrachten en mogelijke interventies van Zorginspectie. Bij wanpraktijken kan een woonzorgcentrum onder verscherpt toezicht worden geplaatst, geschorst of gesloten. Woonzorgcentra zijn verplicht op geregelde tijdstippen kwaliteitsindicatoren te registreren en de resultaten mee te delen aan de overheid. Ze worden aangespoord tot een grotere transparantie zowel op vlak van kwaliteit als van besteding van de publieke middelen. Woonzorgcentra kunnen ook op eigen initiatief hun kwaliteit laten beoordelen door een externe, onafhankelijke organisatie, de zogenaamde certificering. Enkele centra zetten al die stap.

Zorgnet-Icuro is ervan overtuigd dat kwaliteitsvolle zorg voor ouderen een gedeelde verantwoordelijkheid is. Media, politici, administratie, zorgverleners, gebruikers, maar ook de woonzorgcentra zelf moeten samen de hand aan de ploeg slaan. De manier waarop we denken over ouderen én over hun zorgverleners bepaalt onmiskenbaar hun zelfbeeld en de mate waarin ze het gevoel hebben van betekenis te zijn voor de samenleving. Laat ons samen die verantwoordelijkheid écht opnemen zodat we de uitdagingen die op ons afkomen kunnen aangaan.

Margot Cloet, gedelegeerd bestuurder Zorgnet-Icuro