Hoe gaan Vlaamse verpleegkundigen om met intimiteit en seksualiteit in woonzorgcentra?

In De Standaard van 25 oktober kan je een artikel lezen over de nieuwe publicatie over hoe verpleegkundigen omgaan met seksualiteit van bewoners in Vlaamse woonzorgcentra. Chris Gastmans, professor ethiek aan de KU Leuven en stafmedewerker ethische thema's bij Zorgnet-Icuro, werkte mee aan de kwalitatieve studie van ethici en verpleegkundigen aan de KU Leuven. 

Samenvatting  

In de zorg voor ouderen stellen zich specifieke ethische problemen die de voorbije jaren alsmaar nadrukkelijker om aandacht vragen. Een fenomeen waarover tot nog toe weinig ethisch werd nagedacht, is de zorg voor de intimiteits- en seksualiteitsbeleving van ouderen, in het bijzonder van ouderen die in woonzorgcentra verblijven en/of aan dementie lijden. Het is een onderwerp van zorg voor veel directieleden van woonzorgcentra, hulpverleners en familieleden, en niet mider voor de ouderen zelf. De grens tussen toelaatbaar seksueel gedrag en seksueel misbruik is soms erg dun, vooral wanneer het om personen met dementie gaat.

Probleemstelling en doel van de studie

Uit onderzoek weten we dat bewoners in een woonzorgcentrum zich vaak gehinderd voelen in hun seksuele expressie. Vaak aangehaalde factoren zijn het gebrek aan privacy en de overwegend negatieve houding van hulpverleners ten aanzien van de seksualiteitsbeleving van bewoners. Het stereotype beeld van de aseksuele oudere voedt hulpverleners in die negatieve houding, waardoor ze uitingen van seksuele intimiteit al snel als ongepast gedrag gaan zien. Vooral als ze geconfronteerd worden met expliciet seksuele gedragingen, bijvoorbeeld masturbatie, voelen zij zich beschaamd, verontwaardigd en afkerig. Hulpverleners vinden het vaak erg moeilijk om zulke gedragingen te begrijpen, te accepteren en in een hulpverleningscontext te plaatsen.

Tot op heden werd geen onderzoek verricht naar de wijze waarop Vlaamse verpleegkundigen omgaan met de intimiteits- en seksualiteitsbeleving van bewoners in woonzorgcentra. Onderzoekers van het Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht van de KU Leuven hebben daarom een empirische studie uitgevoerd die erop gericht is om inzicht te verwerven in de ervaringen en reacties van Vlaamse verpleegkundigen ten aanzien van de intimiteits- en seksualiteitsbeleving van bewoners van woonzorgcentra.

Methode

De onderzoekers gebruikten een kwalitatief onderzoeksdesign waarbij ze voor de datacollectie gebruik maakten van diepte-interviews. Vijfentachtig Vlaamse woonzorgcentra werden gecontacteerd met de vraag om aan deze studie mee te werken. Veertien woonzorgcentra waren bereid om mee te werken. In deze woonzorgcentra werden alle verpleegkundigen via een contactpersoon op de hoogte gesteld van de studie. Achtendertig verpleegkundigen waren tot medewerking bereid. Uiteindelijk werden vijftien verpleegkundigen uit zeven verschillende woonzorgcentra in de studie geïncludeerd. De verpleegkundigen (13 vrouwen en 2 mannen) waren tussen 34 en 59 jaar oud en hadden tussen 1 en 27 jaar werkervaring in een woonzorgcentrum. Deze verpleegkundigen rapporteerden dat zij zelden (2 verpleegkundigen) tot wekelijks (3 verpleegkundigen) met de seksualiteitsbeleving van bewoners werden geconfronteerd. De seksuele gedragingen waarvan sprake waren vooral ‘het maken van seksuele opmerkingen naar hulpverleners (n=12) en medewoners (n=3)’, ‘het zoeken van seksuele toenadering tot hulpverleners (n=11) en medebewoners (n=7)’, ‘knuffelen met de eigen partner’ (n=9), ‘knuffelen met medebewoners’ (n=9), ‘intieme relaties tussen bewoners’ (n=8), en ‘masturbatie’ (n=5).

De interviews werd afgenomen tussen april 2015 en februari 2016 en duurden gemiddeld 67 min.

Resultaten

Bewaken van een persoonlijke grens

In de context van de intimiteits- en seksualiteitsbeleving van bewoners waren de geïnterviewde verpleegkundigen in de eerste plaats bekommerd om het vastleggen en het bewaken van een persoonlijke grens die niet mag worden overschreden. Deze grens duidt de overgang aan van comfortabele naar oncomfortabele belevingen van de seksualiteitsexpressie van de bewoner. Indien deze grens wordt overschreden, dan worden de seksuele gedragingen door de verpleegkundigen niet langer als aanvaardbaar beschouwd.

Comfortabele belevingen zijn verbonden met een positieve appreciatie van het intiem en seksueel gedrag van de bewoner dat als natuurlijk of vanzelfsprekend wordt beschouwd. Deze intieme gedragingen (bijvoorbeeld een knuffel geven) zijn de expressie van wederzijdse zorg, vriendschap, en vertrouwen en dragen volgens de verpleegkundigen bij tot het emotionele en sociale welzijn van de bewoner.

Oncomfortabele belevingen zijn relelateerd aan gedrag dat door de verpleegkundigen als grensoverschrijdend wordt ervaren. Een voorbeeld van zo’n gedrag is het expliciet seksueel benaderen van de verpleegkundige door de bewoner. Dit gedrag kan leiden tot schade (voorbeeld bij onveilig gedrag) en tot een inbreuk op de lichamelijke en psychische integriteit van de verpleegkundigen.

De verpleegkundigen toonden zich erg onzeker over het vastleggen van hun persoonlijke grens inzake de seksuele expressie van bewoners. Deze onzekerheid heeft ten eerste te maken met het feit dat verpleegkundigen zich eerder baseren op hun emotionele gevoelens en intuïties dan wel op een duidelijke rationele argumentatie gebaseerd op ethische principes. De geïnterviewde verpleegkundigen konden daarom heel moeilijk uitleggen waarom bepaald seksueel gedrag van de bewoner door hen als grensoverschrijdend werd ervaren. Ten tweede werden ook grote verschillen vastgesteld tussen de verpleegkundigen wat betreft het vastleggen van hun persoonlijke grens. Ten derde werd de evaluatie door de verpleegkundiges van het seksueel gedrag van de bewoner geval per geval uitgevoerd; de beleving van de verpleegkundigen bleek heel contextgevoelig te zijn. Met andere woorden, de concrete context bepaalde in grote mate of een bepaalde vorm van seksueel gedrag al dan niet als grensoverschrijdend werd ervaren

Drie reacties

Op basis van de interviewgegevens konden de onderzoekers een onderscheid maken tussen drie mogelijke reacties van de verpleegkundigen op de intimiteits- en seksualiteitsbeleving van de bewoners: actieve facilitatie; tolerantie; beëindiging van het gedrag.

Onder actieve facilitatie wordt verstaan dat de verpleegkundigen de intimiteits- en seksualiteitsbeleving van de bewoner actief ondersteunen en aanmoedigen. Voorbeelden van zo’n gedrag zijn het geven van een knuffel aan een bewoner met dementie die zich moeilijk kan uitdrukken, of het maken van een licht seksueel getinte opmerking aan een bewoner voor wie dit een bron van plezier kan zijn. Voorwaarde voor het stellen van zo’n faciliterend gedrag is dat men de bewoner zeer goed kent en vertrouwt.

Tolerante reacties betekenen dat de verpleegkundige de intimiteits- en seksualiteitsbeleving van de bewoner passief toelaat en niet actief afremt. Men beschouwt het gedrag van de bewoner als een privé aangelegenheid en men vermijdt om hierin tussen te komen. Verpleegkundigen drukken een tolerante houding uit door bijvoorbeeld op de kamerdeur te kloppen en te wachten om binnen te gaan tot men een antwoord van de bewoner hoort, of het gebruiken van ‘niet storen’ bordjes.

Het actief beëindigen van het gedrag is een reactie op expliciet seksueel gedrag van de bewoner dat als grensoverschrijdend wordt beschouwd. Voorbeelden van dit gedrag zijn het aanraken van intieme lichaamsdelen van de verpleegkundige tijdens het wasgebeuren, het masturberen in een publieke ruimte, het lastigvallen of ongepast benaderen van medebewoners en bezoekers, enzovoort. Verpleegkundigen zullen proberen om dit gedrag meteen te stoppen. Indien de verpleegkundigen er niet in slagen om het gedrag te stoppen, maken zij soms gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen zoals fysieke en chemische fixatie.

Beïnvloedende factoren

Persoonlijke ervaringen met seksualiteit bleken een grote impact te hebben op de wijze waarop de geïnterviewde verpleegkundigen omgaan met en reageren op de intimiteits- en seksualiteitsbeleving van bewoners. Zo zal een verpleegkundige in wiens opvoeding nauwelijks over seksualiteit werd gesproken eerder geneigd zijn niet te communiceren over de seksuele gedragingen van bewoners die door hem of haar als grensoverschrijdend worden ervaren.

De aard en de kwaliteit van de relaties die verpleegkundigen onderhouden met de bewoners hebben ook een invloed op de verpleegkundige beleving. Zo vertelde een verpleegkundige dat ze aanvankelijk moeite had met een bewoner die haar een kus op de wang wilde geven. Maar naarmate zij deze bewoner leerde kennen ontdekte zij dat deze man bijzonder sociaal aangelegd was. De kus op de wang kreeg gaandeweg minder een seksuele en meer een sociale betekenis.

De geïnterviewde verpleegkundigen benadrukten dat de confrontatie met de seksuele expressie van bewoners met dementie als zeer delicaat wordt ervaren. Personen met dementie zijn bijzonder kwetsbaar waardoor zij gemakkelijk het slachtsoffer kunnen zijn van misbruik van medebewoners. De verpleegkundigen waren daarom geneigd een (over)beschermende houding aan te nemen.

Woonzorgcentra met een gesloten cultuur vormen een belemmerende context om op een open en professionele manier over de intimiteits- en seksualiteitsbeleving van bewoners te overleggen. In dergelijke context zal men enkel over de seksuele expressie van bewoners praten nadat er zich een ernstig incident heeft voorgedaan. Men zal zich niet afvragen hoe men op een positieve wijze de seksualiteitsbeleving van de bewoners in het woonzorgcentrum kan ondersteunen. Verpleegkundigen die met zo’n zwijgzaamheidscultuur’ worden geconfronteerd ondervinden ook geen sociale ondersteuning wanneer zij het moeilijk hebben met bepaalde gedragingen van bewoners; er is niemand waarmee zij hierover in vertrouwen kunnen praten. Dit alles leidt tot gevoelens van eenzaamheid en onzekerheid bij de verpleegkundigen.

Bron: Thys, K., Mahieu, L., Cavolo, A., Hensen, C., Dierckx de Casterlé, B., Gastmans, C. Nurses’ experiences and reactions towards intimacy and sexuality expressions by nursing home residents: a qualitative study. Journal of Clinical Nursing. 2018: doi: 10.1111/jocn.14680